Samenvattend Rapport Perspectiefonderzoek Pleegzorg - Hoofdstuk 5

5. Resultaten inzake ontwikkeling van 66 pleegkinderen in het kader van het Pedagogisch-Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen van 0-11 jaar

5.1. Criteria voor terugplaatsing van een pleegkind bij (een van) zijn ouders.

De in Hoofdstuk 3 beschreven criteria voor een pedagogisch verantwoorde terugplaatsing zijn, samengevat: 

  • Stabiele leefsituatie van de ouder, w.o. zelfstandig een huishouden kunnen voeren, geen alcohol- en druggebruik, geen jarenlange hulp van vele instanties.

Tijdens de wekelijkse bezoeken is, in toenemende mate, te zien dat:

  • Het pleegkind niet steeds terugvalt in gedrag en functioneren na een bezoek aan de ouder.
  • De ouder méér aansluit op het gedrag van het kind en het gedrag van het kind in goede banen weet te leiden.
  • Het kind een positieve emotionele gerichtheid laat zien op de ouder en dat hij diens structuur en leiding aanvaardt.
  • De interactie tussen kind en ouder plezierig en ontspannen verloopt. Zowel ouder als kind tonen emotionele betrokkenheid op elkaar en blijheid in elkaars aanwezigheid.

De interactie ouder-kind tijdens het PBM-terugplaatsingstraject behoeft niet ‘perfect’ te zijn. Wel moet duidelijk een constante positieve ontwikkeling te zien zijn.

Voorbeelden van negatieve interactie tussen ouder en kind tijdens de bezoeken bij de ouder thuis:

  • De ouder bleef lang op de bank zitten zonder aandacht aan het kind te besteden.
  • Het kind werd vaak voor de TV gezet.
  • Er was weinig interactie te zien tussen ouder en kind.
  • Het (jonge) kind moest regelmatig alleen zitten eten.
  • Als het kind niet wilde eten, werd het in zijn mond gepropt.
  • Samen met het kind een spelletje doen, kwam weinig voor.
  • De ouder was veel bezig met ‘zijn eigen dingen, met name zijn mobiele telefoon.
  • Het kind werd feitelijk aan zijn lot overgelaten.
  • Het kind werd wel regelmatig iets verboden, maar hij luisterde nauwelijks.
  • Emotionele betrokkenheid van de ouder op het kind werd weinig gezien.
  • Er werd weinig aandacht besteed aan aanwijzingen van de ambulant hulpverlener.
  • De interactie tussen ouder en kind werd niet beter, soms zelfs slechter: minder betrokken.

Voorbeelden van negatieve interactie tussen kind en ouder:

  • Het kind luisterde niet of nauwelijks naar de ouder.   
  • Het kind ging weinig in op een vraag van de moeder, bv. samen een spelletje doen.
  • Het kind ging de moeder afweren als zij hem een kusje wilde geven.
  • Het kind negeerde de moeder als zij hem iets vroeg.
  • Bij pijn ging het kind naar de ambulant hulpverlener. 

Reflectie

Door de intensiteit van de bezoeken in het kader van het PBM-terugplaatsingstraject kunnen vroegere ervaringen met de moeder, met name bij jonge kinderen, weer geactiveerd worden en gevoelens van onveiligheid weer oproepen, resulterend in huilerig gedrag, van slag zijn, contact en troost zoeken bij de ambulant hulpverlener.

5.2. Informatie van de pleegouders over het functioneren van de pleegkinderen.

Vele pleegouders vermelden dat de problemen van het kind sinds zijn komst bij hen verminderd waren en hij zich emotioneel meer op hen is gaan richten.
Toch blijken de problemen van de pleegkinderen omvangrijk te zijn. 

De 66 pleegkinderen uit het PBM-terugplaatsingsonderzoek zijn ingedeeld in vier leeftijdsgroepen, nl.: Uithuisgeplaatst bij: 

  • 0 à 2   jaar (34 kinderen)
  • 3 à 5   jaar (13 kinderen)
  • 6 à 8   jaar (14 kinderen)
  • 9 à 11 jaar (5 kinderen)
Pie Chart leeftijd kinderen uithuisplaatsing

5.3. Informatie van de pleegouders over de ontwikkeling van de pleegkinderen

In de bij de pleegouders afgenomen vragenlijsten uit het Pedagogisch Signalerings- Instrumentarium, zijn 4 onderdelen van de ontwikkeling bevraagd:  a. de functionele en b. de emotionele ontwikkeling van het kind, c. gedrag van het kind en d. de gehechtheids- en opvoedingsrelatie met de pleegouders.
De antwoorden zijn gescoord door de projectleider. Alleen de percentages ‘ernstige problemen’ worden hier weergegeven.

a. Functionerings-problemen, 4 aspecten: lichamelijke ontwikkeling, handicap, motoriek, en taal.
Ernstige functioneringsproblemen kwamen bij drie van de vier leeftijdsgroepen voor bij ongeveer 35 %, behalve bij de 14 kinderen die op de leeftijd van 6 à 8 jaar uit huis geplaatst waren (slechts 14 %).

b. Emotionele problemen, 3 aspecten: het uiten van gevoelens, sociaal functioneren, w.o. zelfredzaamheid en zichzelf bezighouden, omgang met andere kinderen.
Ernstige emotionele problemen kwamen in alle leeftijdsgroepen voor, gemiddeld bij ruim de helft van de kinderen.

Opmerking

Het hoogste percentage ‘emotionele problemen’, 85%, kwam voor bij de kinderen die uit huis geplaatst waren toen zij 3 à 5 jaar oud waren.
Voor de gehele groep van 66 pleegkinderen geldt dat de emotionele problemen dubbel zo vaak voorkomen als problemen op functioneel gebied.

c. Gedrag, 5 aspecten: aandacht vragen, gevoel van eigenwaarde, structuur, ‘onbereikbaarheid’, kind vergt te veel van de pleegouders.
Daarnaast: Problemen in het dagelijks leven en Bijzondere gedragskenmerken.
Ernstige gedragsproblemen kwamen voor bij 20% à 30% van de kinderen, behalve bij de groep kinderen met 3 à 5 jaar uithuisgeplaatst. Bij deze kinderen kwamen ernstige gedragsproblemen voor bij bijna 60 %.

d. Gehechtheids- en opvoedingsrelatie met de pleegouders, 3 aspecten: gedrag kind t.o.v. de pleegouders, aard van het contact met hen, uiten van gevoelens t.o.v. hen, en de zorgen die de pleegouders hebben op ieder van deze drie aspecten.[1]
Ernstige problemen in de Gehechtheids- en Opvoedingsrelatie van kind met pleegouders kwam het meeste voor bij de met 3 à 5 jaar uithuisgeplaatste kinderen, nl. 43%.

Reflectie

De 13 kinderen, uithuisgeplaatst met 3 à 5 jaar, hebben meestal ook in de eerste twee jaar van hun leven in een problematische opvoedingssituatie geleefd. De helft van hen is 3 à 5 maal verplaatst vóór de start van het PBM-terugplaatsingstraject.
Binnen de groep van 66 pleegkinderen vertoonden deze kinderen op drie van de vier onderzochte ontwikkelingsgebieden de hoogste percentages ‘ernstige problemen’, nl. bij:
Emotionele ontwikkeling: 85%; Gedrag t.o.v. de pleegouders: 60%; Gehechtheids- en Opvoedingsrelatie met de pleegouders: 43%. Dit zijn de drie belangrijkste ontwikkelingsgebieden. Hierbij is een duurzame selectieve gehechtheidsrelatie van het kind met zijn primaire verzorger van cruciaal belang voor zijn ontwikkeling. 
Hoewel de groep klein is, zijn de bevindingen consistent en op basis van de kennis over de eerste 1000 dagen van het leven, verklaarbaar.[2]  (Zie Hst. 2.)

 

5.4. Resultaten inzake wel of geen terugplaatsing van pleegkinderen, per leeftijdsgroep

De hieronder vermelde informatie over de omstandigheden van het kind vóór de uithuisplaatsing is gegeven door de ouders zelf. 
Omdat de basis van de ontwikkeling van kinderen in de zwangerschap en in het eerste levensjaar wordt gelegd, is de groep van 34 kinderen, uithuisgeplaatst bij 0 à 2 jaar opgesplitst:
13 kinderen, uithuisgeplaatst als baby, vóór hun 1e jaar, en
21 kinderen, uithuisgeplaatst bij 1 à 2 jaar.

Opmerkelijk is dat bij meer dan de helft van deze 34 kinderen in het gezin sprake was geweest van huiselijk geweld.

5.4.1. De 13 kinderen, als baby uithuisgeplaatst

  • Bij 8 van deze 13 kinderen had het gezin van 6 à 16 instanties hulp ontvangen.[3] Redenen voor hulp: minderjarigheid van de ouder, huiselijk geweld, verstandelijke beperking, drugs- of alcoholverslaving, schulden, psychische problemen, jeugdtrauma’s.
  • De gezinnen van 5 baby’s hadden vóór de uithuisplaatsing 3 tot 9 jaar hulp ontvangen. 
  • 8 kinderen waren met de moeder opgenomen geweest in een Opvang voor Moeder en Kind, soms 2 maal; duur: soms een week, maar meestal voor enkele maanden tot een jaar.
  • Bij 9 van de baby’s was huiselijk geweld in de thuissituatie voorgekomen.
  • 8 van de 13 baby’s waren 3 à 8 maal verplaatst.Bij 5 van de 13 kinderen werd het traject ingezet 3 à 8 jaar na de uithuisplaatsing.
  • Bij 5 van de 13 kinderen werd het traject ingezet 3 à 8 jaar na de uithuisplaatsing.

NB. De 8 of 9 genoemde baby’s zijn niet steeds dezelfde kinderen.

Terugplaatsing bij de moeder

Geen van deze 13 pleegkinderen, als baby uithuisgeplaatst, kon pedagogisch verantwoord bij de moeder teruggeplaatst worden.

 

Reflectie

De bovengenoemde problemen in de opvoedingssituatie blijken bij alle leeftijdsgroepen in min of meerdere mate voor te komen. Bij baby’s blijkt het negatieve effect hiervan echter het meest ingrijpend: geen van deze kinderen kon teruggeplaatst worden.
Deze bevinding sluit aan op de aanwezige kennis over de zorg en de belevingen van foetus en kind in de eerste 1000 dagen van zijn leven, die cruciaal zijn voor de kansen op een adequate ontwikkeling. Als in het gezin reeds tijdens de zwangerschap van de moeder sprake was van vele problemen, is in de hersenen van de baby te weinig basis gelegd voor positieve gerichtheid op de moeder. Dit belemmert de mogelijkheid tot het ontstaan van een gehechtheids- en opvoedingsrelatie met de moeder.
Daarnaast belemmert het grote aantal overplaatsingen van de als baby uithuisgeplaatste kinderen het aangaan van een gehechtheids- en opvoedingsrelatie met pleegouders. Het kind heeft geen enkel vertrouwen op kunnen bouwen in een primaire verzorger.

Plaatsing bij vader

Eén van deze 13 pleegkinderen, als baby uithuisgeplaatst, kon wel bij de vader en diens partner geplaatst worden. De vader had, na de uithuisplaatsing van het kind bij de moeder, steeds intensief contact met zijn kind onderhouden. Bij de vader en zijn partner werd een PBM-terugplaatsingstraject ingezet. In de interactie van de vader en van diens partner werd in toenemende mate liefdevolle en pedagogisch adequate omgang met het kind geobserveerd. Het kind kon bij hen geplaatst worden.   

Voetnoten:
[1]    Bij 18% van de kinderen was deze vragenlijst niet afgenomen.
[2]    De projectleider had dergelijke consistente resultaten niet verwacht, zeker niet bij een zo kleine groep.
[3]   De informatie over de gegeven hulpverlening is bekend van 61 van de 66 kinderen.

5.4.2. De 21 kinderen, uithuisgeplaatst met 1 à 2 jaar

  • 5 Kinderen waren opgenomen geweest in een Opvang-Moeder-Kind locatie.
  • Huiselijk geweld was bij 11 van de 21 kinderen voorgekomen.
  • De gezinnen van 13 van de 21 kinderen hadden 3 à 8 jaar hulp ontvangen.
  • 1/3 van de 21 kinderen was 3 à 7 maal verplaatst.
  • Bij 4 kinderen werd een PBM- terugplaatsingstraject ingezet na 3 tot 8 jaar.

Terugplaatsing bij moeder

Bij twee kinderen was sprake van een emotionele band tussen kind en de moeder. Tijdens het PBM-traject bleek in toenemende mate verbetering te zien in de moeder-kind-interactie en de kind-moeder-interactie. Deze kinderen konden bij hun moeders teruggeplaatst worden.

Plaatsing bij de vader

Bij één van de 19 pleegkinderen werd, 4 jaar na de uithuisplaatsing bij de moeder, een PBM-terugplaatsingstraject ingezet bij de vader en diens partner. De vader had alle jaren een goed contact onderhouden met zijn kind. Na een positief verlopen PBM-traject, kon het kind bij de vader en zijn partner geplaatst worden.

5.4.3. De 13 kinderen, uithuisgeplaatst met 3 à 5 jaar

  • Bij 7 van de 11 kinderen[4] had het gezin van 6 à 16 instanties hulp ontvangen vóór de uithuisplaatsing.
  • Twee kinderen waren opgenomen geweest in een Opvang-Moeder-Kind locatie.
  • Huiselijk geweld was bij 6 van de 11 kinderen voorgekomen.
  • De gezinnen van 7 van de 11 kinderen hadden 3 à 7 jaar hulp ontvangen.
  • 7 van de 13 kinderen waren 3 à 5 maal verplaatst.
  • Bij een kind werd het PBM- terugplaatsingstraject ingezet na 3 jaar.

Terugplaatsing bij moeder

Bij twee kinderen was sprake van enige emotionele band tussen de moeder en de kinderen. Een PBM-terugplaatsingstrajact kon binnen 1 à 2 jaar na de uithuisplaatsing ingezet worden. Tijdens het PBM-traject werd het gedrag van de moeders méér kindgericht. Ook merkten de moeders zelf dat het stellen en handhaven van regels de kinderen meer duidelijkheid gaf en de situatie voor de kinderen in feite ook emotioneel veiliger werd. De twee kinderen werden bij hun moeders teruggeplaatst.

Plaatsing bij de vader

Eén kind had alle jaren een goed contact gehad met zijn vader. Dit kind kon, na een goed verlopend PBM-terugplaatsingstraject, bij de vader en diens partner geplaatst worden.

5.4.4. De 14 kinderen, uithuisgeplaatst met 6 à 8 jaar

  • Bij 10 van de 12 kinderen[5] had het gezin van 6 à 16 instanties hulp ontvangen vóór de uithuisplaatsing.
  • Eén kind was opgenomen geweest in een Opvang-Moeder-Kind locatie.
  • Huiselijk geweld was bij 5 van de 12 kinderen voorgekomen.
  • De gezinnen van 10 van de 12 kinderen hadden 3 à 10 jaar hulp ontvangen.
  • De helft van de 14 kinderen was 3 à 7 maal verplaatst.
  • Bij geen van de kinderen werd een PBM- terugplaatsingstraject ingezet na 3 jaar.

Terugplaatsing bij moeder

Bij twee kinderen was sprake van emotionele band tussen de kinderen en de moeders.  Er kon een PBM-traject ingezet worden binnen een jaar na de uithuisplaatsing. Dit verliep positief. De twee kinderen werden bij hun moeders teruggeplaatst.

Plaatsing bij de vader

Twee van deze 14 pleegkinderen hadden na de uithuisplaatsing een goede band met hun vader gehouden. De PBM-trajecten verliepen positief. Deze twee kinderen werden bij hun vaders geplaatst.

5.4.5. De 5 kinderen uithuisgeplaatst toen zij 9 à 11 jaar oud waren

Gegevens over hulpverlening waren slechts van 3 kinderen bekend.

  • Bij 3 kinderen werd een PBM-terugplaatsingstraject binnen 1 à 2 jaar ingezet.
  • Een van de vijf kinderen was driemaal verplaatst.

Terugplaatsing bij moeder

Bij twee kinderen was een emotionele relatie met de moeder blijven bestaan. De moeders zagen tijdens het PBM-traject in dat zij in hun interactie het kind méér liefdevolle aandacht moesten geven en duidelijke grenzen moesten stellen, zodat het kind zich niet ‘aan zijn lot overgelaten’ hoefde te voelen in situaties waarin een kind leiding nodig heeft. De twee kinderen konden worden teruggeplaatst bij hun moeders.

Plaatsing bij vader was niet aan de orde.

5.5. Totaal aantal kinderen dat (terug)geplaatst kon worden bij een van de ouders

8 kinderen (uit vijf gezinnen) konden teruggeplaatst worden bij hun moeder.
5 kinderen (uit vier gezinnen) konden geplaatst worden bij hun vader en diens partner.
13 van de 66 kinderen konden pedagogisch verantwoord (terug)geplaatst worden bij een van de ouders, 7 jongens en 6 meisjes.

5.6. Terugplaatsing bij samenwonende ouders

De hiervoor beschreven (terug)plaatsingen vonden steeds plaats bij één van de ouders.  De vaders hadden allen een nieuwe partner. 
Géén van de 20 pleegkinderen kon teruggeplaatst worden bij de 11 samenwonende ouders.

5.7. Informatie van pleegouders over contacten pleegkind-ouders vóór de start van het PBM-terugplaatsingtraject

Contact met de vader % Contact met de moeder %
Geen contact
26%
Geen contact
0%
Weinig problemen
29%
Weinig problemen
33%
Veel problemen
42%
Veel problemen
64%

Als men ‘geen contact’ als een probleem meetelt, dan geven de contacten met de beide ouders bij ruim de helft van de kinderen problemen. Dit is een hoog percentage.

Reflectie

Uit de door de pleegouders gegeven informatie over de het verloop van de contacten met de ouder in de afgelopen jaren is te concluderen dat het al dan niet goede verloop van de bezoeken, met name bij de jong uithuisgeplaatste kinderen, in hoge mate afhangt van de – veelal te hoge – frequentie van de bezoeken, van de opstelling van de ouder maar ook van de houding van de pleegouders t.o.v. de ouders: de erkenning dat zij van belang zijn voor het kind.  De meeste pleegouders blijken dat belang te erkennen. Maar als de ouder zich weinig aan de afspraken houdt en/of het kind lijdt onder de bezoeken, geven zij dat aan als probleem. (Een door de onderzoeker in het TOS-rapport gegeven advies om voor een aantal pleegkinderen een lagere frequentie van bezoeken aan de rechtbank voor te leggen, is door de GI zelden overgenomen.)

5.8. Reflectie

Bij het einde van het PBM-terugplaatsingsonderzoek bleek dat bij bijna 70% van de pleegkinderen binnen drie maanden duidelijk was of het kind wel of niet teruggeplaatst kon worden bij (een van) de ouders. Dit betekent dat het inzetten van een PBM-terugplaatsingstraject voor alle betrokkenen minder tijdrovend is (en kosten besparend) dan op het eerste gezicht lijkt.
Zeer zorgelijk – en aandachtvragend – is dat de problemen van de kinderen, uithuisgeplaatst met 3 à 5 jaar, het meest omvangrijk en diepgaand zijn.
De werkwijze van een PBM-terugplaatsingsgtraject schept duidelijkheid voor kind, maar ook voor ouders en pleegouders. Het kind kan emotionele bestaanszekerheid opbouwen omdat hij weet en ervaart wie in het heden en in de toekomst voor hem zal zorgen.

Voetnoten:
[4]    Bij 2 kinderen waren geen gegevens over de hulp bekend.
[5]    Bij 2 kinderen waren geen gegevens over de hulp bekend. 
[6]    Zowel bij de vader als bij de moeder was dit gegeven bij 3 % van de kinderen niet bekend.

Download

Samenvattend Rapport Perspectiefonderzoek Pleegzorg - Hoofdstuk 5