De eerste 1000 dagen

'De eerste 1000 Dagen'

in pedagogisch en juridisch perspectief

Dr.A.M.Weterings en Mr. F.A. Van der Reijt[1]

d.d. 21-03-2022

1. Inleiding

De laatste decennia wordt steeds vaker in de sociale wetenschappen benadrukt dat de eerste 1000 dagen van het leven, vanaf de conceptie, van groot belang zijn voor de ontwikkeling van het kind. Ook binnen de gezondheidszorg wordt hier aandacht aan besteed, zoals in het programma: ‘Kansrijke start’, door het Ministerie van VWS in 2018 gestart.

In dit artikel wordt de noodzaak van structurele aandacht van de samenleving voor het pedagogisch handelen in deze levensperiode aan de orde gesteld. Daarvoor wordt steun gevonden in het BW, het Burgerlijk Wetboek en in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, het VRK. [2]

2. Kennis uit de neurologie en pedagogiek

De hersenontwikkeling en ontwikkeling van gehechtheid
De basis voor de ontwikkeling van de hersenen wordt kort na de conceptie gelegd. De hersenen ontwikkelen zich het snelste tot het einde van het 2e jaar.[3]  De eerste 1000 dagen van het leven van het kind zijn daarmee van cruciaal belang voor de mogelijkheden tot ontwikkeling van het kind.
Het is algemeen bekend, dat een moeder zich tot de geboorte van het kind in acht moet nemen. Vanaf de conceptie kan er al veel misgaan, m.n. door huiselijk geweld, drugs- of alcohol gebruik, met ingrijpende gevolgen voor het welzijn van het kind. In het hierna volgende wordt voor pleegkinderen de tijd vanaf hun geboorte besproken.

Het pas geboren kind kan niet zelfstandig functioneren. Hij[4] kan ook zijn eigen impulsen nog niet reguleren. Om zich adequaat te kunnen ontwikkelen heeft het kind duurzame liefdevolle zorg van een structuur biedende volwassene nodig. Om deze persoon  – ouder, stief-, pleeg-, of adoptieouder –  in zijn nabijheid te houden, ontwikkelt het kind hechtingsgedrag: ‘crying, clinging, following.[5] De aard van de zorg die het kind na zijn geboorte krijgt, bepaalt de manier waarop de verbindingen tussen de hersencellen (neuronen) zich verder ontwikkelen en ook de omvang  waarin dit gebeurt.  Als de primaire verzorger sensitief (de signalen van het kind begrijpend) en responsief (de signalen adequaat beantwoordend) met het kind omgaat, gaat het kind zich ‘gehoord’ en veilig voelen. Het kind gaat zich op deze primaire verzorger richten en is geneigd de regels en structuur die deze persoon biedt, te aanvaarden om zo deze zorg te behouden. Het kind wordt opvoedbaar en  ontwikkelt een gehechtheids- èn opvoedingsrelatie met deze primaire verzorger.[6] Deze specifieke relatie ontwikkelt zich in de interactie tussen hen. Een bloedband is daarvoor niet nodig.[7]

Voetnoten:
[1] Van der Reijt, F.A. oud kinderrechter, Voorzitter Expertisecentrum Kind in de Pleegzorg.
Weterings, A.M. voorheen senior-onderzoeker Pleegzorg, Universiteit Leiden, Afd. Orthopedagogiek; secretaris EC Kind in de Pleegzorg; Onderzoeks- en Adviespraktijk.
[2] VRK is de vertaling van de Engelse benaming, CRC, Convention on the Rights of the Child. In Nederland wordt dit verdrag per abuis aangeduid met  IVRK, Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.  Zie:  Willems, J.C.M. (2006). “Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind: waarom VRK goed is en IVRK (eigenlijk) fout.” In: ResearchGate en Ars Aequi.
[3] Hunnius, S. & Van Elk, M. (2010/2021). Het babybrein. Amsterdam: Prometheus. p.19-28.
Naber, F. (2021). De ontwikkeling van de ouder-kindrelatie verdient 100% aandacht. In: VROEG, Zomer 2021, p. 20-24.
Roseboom, T. (2018). De eerste 1000 dagen. Het fundamentele belang van een goed begin vanuit biologisch, medisch en maatschappelijk belang. Utrecht: De Tijdstroom.
Roseboom, T. (2022). Gelijk goed beginnen. Utrecht: De Tijdstroom
Willems, J.C.M. (2017). Hoe kindermishandeling terug te dringen? In: Jeugdbeleid. 2017. Vol 11, nr. 2. p. 131-138 en Vol. 11, nr. 3. p. 191-202 .
[4] Vanwege de leesbaarheid wordt naar het kind verwezen met ‘hij’. Dit kan een jongen of een meisje zijn. De ouder is de biologische ouder. Naar stief-, pleeg- of adoptie-ouder wordt als zodanig verwezen. De ouder kan de vader, de moeder of beiden zijn.
[5] Bowlby, J. (1966). Maternal Care and Mental Health and Deprivation of Maternal Care. New York: Schocken.
Spitz, R.A. (1945). Hospitalisation.  In: Psychoanalytic study of the child.  International University Press, Vol. 1, p. 53.
Van IJzendoorn, M.H. (1994). Gehechtheid van ouders en kinderen. Houten: BSL.
[6] Deze term is door Weterings (1999) voorgesteld om onderscheid te kunnen maken tussen gehecht aan de ouder-opvoeder en gehechtheid aan een geliefd persoon (oma, oom, vriendje). In: Pedagogische Criteria. Jeugdbescherming. Den Haag: Ministerie van Justitie.
[7] Juffer, F. (2010).  Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties. Inzichten uit gehechtheidsonderzoek. Raad voor de Rechtspraak. Research Memoranda. Jrg. 6, nr. 6.
Van den Bergh, P.M. & Weterings, A.M. (2007). Pleegzorg, jeugdzorg voor het kind. Utrecht: Agiel, p.13-25.
Van IJzendoorn, M.H. (2010). Gehecht aan pleegouders. In: Van den Bergh, P.M. & Weterings, A.M. (Red.) Pleegzorg in perspectief. Assen: Van Gorcum.

3. Gevolgen van een verstoorde basis in de eerste 1000 dagen

3. Gevolgen van een verstoorde basis in de eerste 1000 dagen

Het gebrek aan liefdevolle zorg en het ontbreken van een veilige, gestructureerde omgeving heeft een negatief effect op de baby. Het kind laat dit merken door veel huilen, weinig reacties vertonen, apathie, verstijven bij aanraking. De groei van de hersenen stagneert en daarmee de ontwikkeling van het kind. Het is te zien op foto’s van de hersenen van verwaarloosde kinderen: de omvang van hun hersenen is kleiner en er zijn gaten te zien in het hersenweefsel.[8] Omdat de verwaarloosde baby nog weinig of geen andere ervaringen heeft opgedaan met de moeder, zijn angst en afweer als basis-reacties in zijn hersenen opgeslagen. 

Als het kind in de eerste 1000 dagen van zijn leven door de ouder verwaarloosd is, dan is de basis voor ontwikkeling van de hersenen verstoord geraakt. Zijn ontwikkelingsmogelijkheden worden hierdoor beperkt. 

3.2. Een verstoorde basis maakt contact van het kind met de ouder na de uithuisplaatsing problematisch.

Na een uithuisplaatsing wordt als regel een bezoekregeling van de ouder met zijn kind vastgelegd om de mogelijkheid tot terugplaatsing ‘open’ te houden. Bij het jonge verwaarloosde pleegkind activeert het contact met de ouder echter de negatieve ervaringen van het kind met de ouder. De eerdere ervaringen zijn ‘opgeslagen’, vastgelegd in de basis van de hersenen, het ‘reptielen-brein’ van de mens genoemd.[9] Hierdoor is het begrijpelijk dat het jonge pleegkind bij bezoeken van de ouder afhoudend en afwerend kan reageren. Als de contacten met de ouder frequent zijn worden die eerdere ervaringen ook frequent opgeroepen en kan de afwerende houding toenemen.

Een kind, verwaarloosd en/of mishandeld in de eerste 1000 dagen van zijn leven is op twee manieren gedepriveerd: 

– de basis voor zijn ontwikkeling is verstoord geraakt, en
– de negatieve impressies van zijn ouder zijn diepgaand.

3.3. Enkele resultaten uit het PBM-project: Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen

In het PBM- project (2011-2019) zijn 68 kinderen pleegkinderen opgenomen van 0 t/m 11 jaar.[10]
34 Kinderen waren uit huis geplaatst toen zij nog geen 3 jaar oud waren.

13 Van deze kinderen waren als baby uit huis geplaatst.

Geen van deze baby’s kon pedagogisch verantwoord teruggeplaatst worden.

Gegevens:

– Bijna driekwart van de baby’s was opgenomen geweest in een instelling voor Opname van Moeder en Kind, meestal tenminste drie maanden.
– Meer dan de helft van de gezinnen (met veelal oudere broers of zusjes) had hulp ontvangen van 6 à 15 instanties. (Complexe problematiek van het gezin, waaronder psychische stoornissen; huiselijk geweld (in de helft van de gezinnen); scheidingen; minderjarige moeders; verstandelijke beperktheid.)
– Ruim een derde van de gezinnen had 3 tot 9 jaar hulp ontvangen

21 Kinderen uit huis geplaatst tussen 1e en 3e jaar

Geen van de kinderen kon pedagogisch verantwoord worden teruggeplaatst bij de moeder.

 Ook bij deze kinderen blijkt dat de meeste gezinnen vóór de uithuisplaatsing van dit kind, jarenlang ondersteuning hadden ontvangen van een groot aantal verschillende hulpverlenende instanties, waaronder ook ‘Opname van Moeder en Kind’.

3.4. Overwegingen

De vraag is:
Wat kunnen de redenen zijn voor het ontbreken van effect van een intensief terugplaatsingstraject bij een kind dat vóór zijn 3e jaar uit huis is geplaatst en ondanks de vele ingezette hulp voorafgaand aan de uithuisplaatsing?
Drie factoren spelen hierbij een rol.

1e factor

Uit de observatieverslagen (gemaakt tijdens de PBM-terugplaatsingstrajecten) bleek dat de jonge pleegkinderen, veelal in toenemende mate, negatief gingen reageren op de moeder.
Hieronder een voorbeeld.

Voorbeeld Dini, bijna 3 jaar oud

Dini was als baby ernstig verwaarloosd door haar drugsverslaafde moeder, mede vanwege de problemen met haar partner. Dini had dikwijls huiselijk geweld meegemaakt.
De Raad voor de Kinderbescherming deed onderzoek. Er werd een OTS, OnderToezichtStelling, uitgesproken. Dini werd, bijna een jaar oud, bij pleegouders geplaatst.
De pleegouders gaven Dini veel zorg en aandacht. In het begin reageerde Dini weinig op hen. Zij maakte nauwelijks geluidjes en hield haar lichaampje strak bij aanraking. Langzaam ging zij meer reageren op de pleegouders en haar ontwikkeling ging vooruit. 
De moeder had weinig contact met Dini.
Toen Dini bijna drie jaar oud was, vroeg de moeder om terugplaatsing.  De gezinsvoogd achtte de moeder nu in staat de opvoeding op zich te nemen. Zij was afgekickt en had de relatie met haar partner verbroken. De moeder kon zelfstandig een huishouden voeren.
De moeder kreeg een PBM-terugplaatsingstraject aangeboden (zie noot 10): 1x per week een dag bezoek van Dini bij de moeder thuis, zodat de verzorging van Dini ook een taak van de moeder werd. De ambulant hulpverlener was de hele dag aanwezig, gaf de moeder aanwijzingen bij de omgang met Dini en maakte tijdens het bezoekverslag van de gebeurtenissen.
De moeder nam initiatief om met Dini contact te maken, samen een spelletje te doen of haar te knuffelen. Dini ging daar niet altijd op in.  Na 4 à 5 keer begon Dini steeds vaker de moeder te negeren.
Als de ambulant hulpverlener Dini, samen met de moeder, terugbracht bij de pleegmoeder, rende zij naar de pleegmoeder en vloog haar in de armen. Na twee maanden belde de pleegmoeder naar de Pleegzorgaanbieder. Zij maakte zich grote zorgen over Dini. Dini was zich al na het derde bezoek aan haar moeder steeds moeilijker gaan gedragen, en begon terug te vallen in functioneren.  Na het afgelopen bezoek aan de moeder wilde Dini niet meer eten, praatte niet meer, huilde veel en gedroeg zich als een baby.
Het terugplaatsingstraject werd stopgezet. 
Langzamerhand werd Dini weer de oude, maar zij was minder zeker van zichzelf en minder vrolijk dan voorheen.

Uit de resultaten van het PBM-terugplaatsingsproject is het volgende af te leiden.
De basis van de hersenontwikkeling van het kind is gevormd door negatieve ervaringen met de zorg gegeven door de moeder. Contact met de moeder na de uithuisplaatsing kan al deze gevoelens weer activeren.
Het pleegkind heeft in de eerste 1000 dagen van zijn leven geen emotionele, noch een gehechtheids- en opvoedingsrelatie kunnen opbouwen met zijn moeder. Daar was geen basis voor gelegd, ook niet met behulp van begeleiders.

2e Factor

Kinderen, ook jonge kinderen voelen verschillen in situaties aan. De frequente volledig begeleide bezoeken bij de moeder thuis, hadden een geheel andere intentie dan een bezoek aan de moeder in de speelkamer van een instantie of een begeleid bezoek aan een speeltuin. Het was verwarrend voor het kind en de pleegouders werden minder betrouwbaar in zijn beleving: ‘hij moest toch van de pleegouders vaak naar zijn moeder gaan?’ De verwarring kon zich op verschillende manieren uiten, middels recalcitrant gedrag, boos zijn op de pleegouders, geen nabijheid meer zoeken of hen afweren. De verwarring bij het kind kon zich ook uiten in vragen, bijvoorbeeld als hij iets stouts had gedaan: ‘Moet ik nu weg?’ of: de vraag van een 2-jarig kind, toen zijn pleegvader een oud meubelstuk ging wegbrengen: “Moet ik nu ook weg?”

3e Factor

Alle 34 pleegkinderen hadden inmiddels tenminste een begin van een gehechtheids– en opvoedingsrelatie met hun pleegouders opgebouwd. De meesten van hen woonden al een paar jaar bij de pleegouders

Het PBM-terugplaatsingstraject was bij het grootste deel van de 13 baby’s 1 tot 8 jaar na de uithuisplaatsing gestart.
Bij de 21 kinderen, uit huis geplaatst met 1 à 2 jaar, was het PBM-traject 2 à 6 jaar daarna gestart.

Het dreigende verlies van de pleegouders veroorzaakte met name bij de jongste kinderen vrijwel steeds een terugval in ontwikkeling.
Het afbreken van een gehechtheids- en opvoedingsrelatie, bijvoorbeeld door overlijden of scheiding, brengt altijd schade toe, met name aan de emotionele ontwikkeling.  Het afbreken van de gehechtheids- en opvoedings-relatie van het gedepriveerde kind met zijn pleegouders zal ernstiger schade toebrengen aan het kind. [11] Dit is met name het geval omdat het kind wordt teruggeplaatst bij een ouder met wie het kind in de eerste cruciale 1000 dagen negatieve ervaringen heeft opgedaan.  Vooral zijn gevoel van eigenwaarde en het vertrouwen in anderen worden beschadigd.  

Voetnoten:
[8] Havermans, A. & Verheule, C. met Prinsen, B. (2012). Gehechtheid in beeld. Amsterdam: SWP.
[9] Powel, B., Cooper., Hoffman, K. & Marvin, B. (2014/2016). De cirkel van veiligheid-interventie. Uitgeverij: Nieuwezijds.
Struik, A. (2010/2013). Slapende honden? Wakker maken! Amsterdam: Pearson. 
[10]    Zie: Het PBM-project, het Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen. Dit project werd uitgevoerd in Brabant, van 2011 t/m 2019, o.l.v. Weterings. Vijf Gecertificeerde Instellingen en vijf Pleegzorgaanbieders namen deel. De resultaten zullen – per onderdeel – worden gepubliceerd op deze website. 
Een PBM-terugplaatsingstraject duurt 3 tot 6 maanden. Bij 70% van de pleegkinderen was het binnen 3 maanden duidelijk of het kind wel of niet teruggeplaatst kon worden. 
[11] Zie: Juffer, F, (2010), noot 6.  p. 20-23.

4. Juridisch perspectief bij ‘De eerste 1000 dagen’

4.1. Juridische basis

Het belang van het bevorderen van een goede, adequate ontwikkeling van het kind is vastgelegd in het BW, Burgerlijk Wetboek en in het VRK, Verdrag inzake de Rechten van het Kind. [12]
Art. 1: 247, lid 1. BW: De ouder heeft de plicht en het recht om zijn kind te verzorgen en op te voeden.
Art. 1:247, lid 2. BW (Samengevat:) Onder verzorging en opvoeding valt de zorg en de verantwoordelijkheid voor het welzijn van het kind, alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.
VRK: Artikelen 3, 6 en 20 uit het VRK stellen duidelijk dat het ontwikkelingsbelang van het kind leidraad is voor te nemen beslissingen.

4.2. Het BW

In wetsartikel 1: 247 BW wordt de plicht van de ouder als eerste genoemd. Deze plicht houdt niet alleen zorg en opvoeding in, maar ook het bevorderen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind. De ouder krijgt het recht om die plicht te vervullen. De plicht van de ouder is de kern van dit wetsartikel. Daarmee heeft het recht van het kind op bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid prioriteit boven het recht van de ouder zijn kind op te voeden.

In het Art. 1:266 BW wordt het recht van de ouder dan ook beperkt als dat nodig is voor het ontwikkelingsbelang van het kind. De rechtbank kan het gezag van de ouder beëindigen als de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd en de ouder niet binnen een voor de ontwikkeling van het kind aanvaardbare termijn in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen. De periode voor ‘de aanvaardbare termijn voor gezagsbeëindiging’ is niet in de wet vastgelegd. Het wetsartikel geeft echter wel een pedagogische en ontwikkelingspsychologische reden voor gezagsbeëindiging. Huijer en Weijers[13], bijvoorbeeld, geven aan dat hierbij gedacht moet worden aan de overweging: ‘hoe jonger het kind, hoe korter de termijn zal zijn’.

Het wetsartikel houdt ook het volgende in.Terugplaatsing van een pleegkind naar de ouder zal plaats moeten vinden op een termijn waarbinnen de ontwikkeling van het kind geen schade wordt toegebracht. Het nemen van een opvoedingsbesluit hiertoe door een Gecertificeerde Instelling (GI) gaat vooraf aan een gezagsbeëindiging: geen terugplaatsing als de ouder niet op een voor de ontwikkeling van het kind aanvaardbare termijn zonder verdere schade weer voor hem kan zorgen.
Uit de voorgaande informatie kan afgeleid worden dat in de regel de ‘Aanvaardbare termijn’ voor terugplaatsing naar de ouder voor pleegkinderen tot 3 jaar zal zijn verstreken.

Indien de ouders vóór of korte tijd na de geboorte van het kind gescheiden zijn, kan het wel mogelijk zijn dat het kind bij de andere ouder (terug)geplaatst kan worden.[14]

4.3. Het VRK [15]

Art. 3: Bij alle te nemen maatregelen vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
Art.  6: De staten die partij zijn waarborgen in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind.
Art. 20: (samengevat) De zorg kan omvatten: de plaatsing in een pleeggezin. Bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind. (Dit wordt als eerste genoemd.)

Voetnoten:
[12] Willems, J.C.M. (2003). A World fit for Children: van liefdadigheid naar gedeelde verantwoordelijkheid. Amsterdam: SWP, Inaugurale Rede bij het aanvaarden van het Bijzonder Hoogleraarschap: Rechten voor het Kind. “Het kind is subject van rechten.” p.5.
[13]    Huijer. J. & Weijers, I. (2016). De aanvaardbare termijn in jeugdbeschermingszaken. In: FJR, Jrg. 38, nr. 7/8, juli/augustus 2016. p. 164-169.
[14] In het PBM-project zijn twee van de 34 kinderen (uit huis geplaatst tussen 0 en 3 jaar) bij de vader geplaatst.
[15] Ruitenberg, G.C.A.M. (2003). Het Internationaal Kinderrechtenverdrag in de Nederlandse rechtspraak. Amsterdam: SWP, p.60, p.89 en p.134.