Perspectiefbepaling voor pleegkinderen

3. OPZET VAN HET PEDAGOGISCH-BESLIS-MODEL VOOR (TERUGPLAATSING VAN) PLEEKINDEREN VAN 0-11 JAAR [1]

3..1 Inleiding

Uitgangspunt van het Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen van 0-11 jaar is, dat het kind een duurzame, liefdevolle en adequate primaire verzorger (ouder, pleeg-, stief- of adoptie-ouder) nodig heeft om zijn ontwikkeling te stimuleren. Door duurzame liefdevolle en adequate zorg krijgt het kind vertrouwen in deze persoon.  Het kind ervaart dat hij zich op deze persoon kan verlaten. In deze situatie krijgt hij ook vertrouwen in zichzelf, als iemand die ‘de moeite waard’ is, en kan hij ‘emotionele bestaanszekerheid’ ervaren.
In dit licht moet voor pleegkinderen de vraag beantwoord worden of het kind pedagogisch verantwoord teruggeplaatst kan worden bij (een van) zijn ouders of dat het beter voor hem is om op te groeien bij pleegouders.

 Met PBM, Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen is door Weterings een methode ontwikkeld om deze vraag te beantwoorden, op basis van de in Hoofdstuk 2 vermelde theorie en op basis van jarenlang onderzoek naar pleegzorgsituaties.[2] 
In dit hoofdstuk wordt de opzet van het PBM-terugplaatsingstraject beschreven.

3.2 Basis voor een pedagogisch verantwoorde terugplaatsing van een pleegkind

Omdat een ouder graag zijn kind zelf wil opvoeden, zal de ouder van een pleegkind zich inzetten om een bezoek aan of van het kind plezierig te laten verlopen. Maar voor het kind ligt dit anders. Zijn reactie op de ouder hangt af van de relatie die het kind heeft opgebouwd met zijn ouder vóór de uithuisplaatsing.  Als het kind negatieve ervaringen heeft gehad met de ouder, soms al in de baarmoeder, kan het kind tijdens een bezoek aan de ouder weinig of niet ingaan op uitnodigingen van de ouder voor een knuffel of een spelletje, afwijzend reageren of zich weinig aantrekken van de ouder.
Bij een beslissing over terugplaatsing van een pleegkind naar zijn ouder zal daarom te zien moeten zijn of de ouder in staat is de aandacht van het kind op zich te richten, zowel in emotionele als in pedagogische zin. Tegelijkertijd zal te zien moeten zijn of het kind zich emotioneel op zijn ouder gaat richten en diens gezag gaat aanvaarden. Ouder en kind zullen samen een proces moeten aangaan om te kunnen komen tot opvoeding van het kind door de ouder.

Om te kunnen bepalen of het pleegkind weer teruggeplaatst kan worden bij de ouder, is het nodig van de ouder te horen welke problemen zich in het gezin hebben voorgedaan voordat het kind uit huis werd geplaatst, welke problemen het kind de ouder heeft gegeven, welke problemen het kind heeft gegeven buitenshuis, bij de kinderopvang, school, e.d., en welke hulp de ouder heeft ontvangen.

Informatie van de pleegouders is nodig over de ontwikkeling van het kind in hun gezin, over de ontwikkeling van hun relatie met het kind en over de relatie van het kind met de ouder. Een PBM-terugplaatsingstraject omvat een grondig onderzoek naar de vraag of de interactie tussen ouder en kind én de interactie kind-ouder verbetert, zodanig dat de ouder het kind liefde geeft met structurering van zijn gedrag en het kind de liefde en structurering van de ouder aanvaardt.[3] 

3.3 Praktische opzet van het PBM-terugplaatsingstraject

Het PBM-terugplaatsingstraject wordt de ouders in principe aangeboden voor een half jaar om hen de gelegenheid te geven (een begin te maken met) het zich eigen maken van een andere omgang met het kind. Duidelijk zal moeten worden of het kind zich emotioneel gaat richten op de ouder en diens gezag en de gegeven structuur gaat aanvaarden.

De begeleiding tijdens een PBM-terugplaatsingstraject wordt uitgevoerd door een gespecialiseerde ambulant hulpverlener, die noch de ouder, noch het kind noch de pleegouders kent. [4]
Bij de start van het PBM-terugplaatsingstraject worden bij de ouders drie interviews afgenomen aan de hand van 6 à 7 half-gestructureerde vragenlijsten uit het PSI, Pedagogisch Signalerings Instrumentarium.[5] Onderwerpen: beleving van de thuissituatie, ontvangen hulp, relatie met het kind, ontwikkeling en gedrag van het kind, verloop van de bezoekregeling en het sociale netwerk van het gezin (contact met de grootouders van het kind, met familie, buren, vrienden en clubs [6]). Op deze manier kunnen de ouders zelf aangeven welke moeilijkheden zij ondervinden met het kind. De ambulant hulpverlener schrijft de antwoorden van de ouders zo letterlijk mogelijk op bij de gestelde vragen zodat de begeleiding afgestemd kan worden op de problemen die de ouders aangegeven hebben.
Het gehele traject werd in principe door dezelfde ambulant hulpverlener begeleid, zodat ouders en kind met deze persoon vertrouwd raken.[7]  
In het PBM-terugplaatsingstraject bezoekt de ambulant hulpverlener het kind bij de ouder thuis, 1x per week, gedurende een hele dag, zodat ook verzorgingstaken een onderdeel van de omgang tussen ouder en kind vormen. De bezoeken worden de gehele dag begeleid, waarbij de ambulant hulpverlener de ouder uitleg en aanwijzingen geeft bij het stimuleren van of reageren op het gedrag van het kind. De ambulant hulpverlener maakt verslagen van alle bezoeken. Daarnaast scoort hij tegen het einde van het bezoek de interactie ouder-kind en de interactie kind-ouder op PSI-observatielijsten, en geeft zo nodig een toelichting daarbij.

Met de pleegouders worden interviews gehouden met soortgelijke PSI-vragenlijsten, meestal afgenomen door hun pleegzorgwerker. Deze interviews worden gehouden om zicht te krijgen op de ontwikkeling van het kind, de relatie van de pleegouders met het kind, hun relatie met de ouder en de relatie van het pleegkind met de ouder.
Bij het kind van 6 jaar en ouder wordt het Relatie-Diagram (uit het PSI) afgenomen. Het Relatie-Diagram bestaat uit 4 cirkels om het kind heen.

Gevraagd wordt welke mensen het kind niet zou willen missen, welke mensen voor hem het meest belangrijk zijn. Deze mensen kan het kind in de 1e cirkel zetten. In de 2e, 3e of 4e cirkel kan het kind mensen (of kinderen) zetten die voor hem minder belangrijk zijn. [8]

De pleegouders vullen observatielijsten in over het gedrag van het kind vóór en nà de bezoeken aan de ouder.
De ambulant hulpverlener (of de pleegzorgwerker) observeert ook enkele malen de interactie tussen de pleegouders en het kind.
De ambulant hulpverlener haalt meestal het kind op bij de pleegouders en/of brengt het kind samen met de ouder terug naar het pleeggezin. Op deze wijze kan ook geobserveerd worden op welke wijze het kind reageert bij het zien van de ouder en bij het afscheid nemen. 
Om een onafhankelijke beoordeling en rapportage van de gegevens mogelijk te maken, werd alle verkregen informatie gegeven aan de projectleider, die kind, noch ouders en pleegouders kende. 
De interviews met de ouders en met de pleegouders werden geanalyseerd én gescoord, evenals de verslagen van de bezoeken en de observaties.  Op basis van alle beschikbare gegevens werd het rapport over de Taxatie van de Opvoedings-Situatie (TOS-rapport) geschreven, met een advies inzake wel of geen terugplaatsing van het kind bij (een van) de ouders. Indien terugplaatsing pedagogisch niet verantwoord was, werd in het TOS-rapport advies gegeven over een bezoekregeling van de ouder met het pleegkind. De GI, Gecertificeerde Instelling, werd geadviseerd een verzoek tot gezagsbeëindiging van de ouders in te dienen bij de rechtbank. 
Het concept-rapport werd besproken met de coördinator van het PBM-project (gedragsdeskundige van Sterk Huis, de Pleegzorgaanbieder), de ambulant hulpverlener en met de gezinsvoogd – soms ook met de gedragsdeskundige die bij het pleeggezin betrokken was. Na eventuele benodigde verheldering, werd het TOS-rapport door de Pleegzorgaanbieder naar de gezinsvoogd gestuurd.
De Gecertificeerde Instelling legde vervolgens het TOS-rapport voor aan de rechtbank.

Voetnoten:
[1]
    In de eerste jaren is het PBM-terugplaatsingsproject gesubsidieerd door het Fonds: ZorgSaam Brabant.
[2]
    Dr.A.M.Weterings, onderzoeker en projectleider, vanuit het Expertisecentrum Kind in de Pleegzorg. Zij had geen invloed op de aanmelding van pleegkinderen voor het PBM-onderzoeksproject. Zie verder bij Hoofdstuk 1, noot 4.
[3]    Zie ook Laterveer, B. (2020). De opvoedbeslissing. In: FJR, Jrg. 42, nr. 7/8, p. 185-189. Gesteld wordt dat intensieve hulp, gericht op de interactie ouder-kind, nodig is om een definitieve ‘opvoedbeslissing’ te nemen over wel of geen terugplaatsing van een kind naar de ouder binnen een voor het kind aanvaardbare termijn. GI’s zoeken naar een analyse-model waarbij zoveel mogelijk geobjectiveerde informatie verkregen wordt over de opvoedcapaciteiten van de ouder, de hechtingsrelatie tussen ouders en kind en kindfactoren. Als een van de vormen van intensieve hulp wordt genoemd: het Pedagogisch Beslis-Model (p.185-186).
[4]    De ambulant hulpverlener was verbonden aan de Pleegzorgaanbieder Sterk Huis te Breda.
[5]    De 6 à 7 vragenlijsten uit het PSI, Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium (A.M.Weterings en P.M.Van den Bergh (1991-2010) zijn gebruikt.  Bij deze vragenlijsten staan de vragen vast, maar de ouder kan zelf zijn antwoord formuleren. De antwoorden worden zo letterlijk mogelijk opgeschreven door de ambulant hulpverlener, die de ouder en kind begeleidt. De antwoorden moeten worden beoordeeld en gescoord door een van gezin en kind onafhankelijke gedragsdeskundige. (Gould, J.W. & Martindale, D.A. (2007). The art and science of Child Custody Evaluations. Guilford Press. De gegevens van het PBM-project werden beoordeeld en gescoord door Dr. A.M.Weterings.
Het PSI is gevalideerd door Sitskoorn.  Sitskoorn, A. (2011). De Validiteit van het PSI voor het Pleeggezin. Leiden: Universiteit Leiden, Afd. Orthopedagogiek, M.A.-scriptie. Het gehele PSI bestaat uit 16 vragenlijsten. Elke Vragenlijst uit het PSI correleerde met gemiddeld vijf andere vragenlijsten. De Ontwikkeling van het kind in het pleeggezin vertoonde een significante samenhang met de vragenlijst voor het Gedrag van het kind volgens de pleegouders, de Gehechtheids- en Opvoedingsrelatie pleegkind-pleegouders, met de vragenlijst voor de leerkracht over de ontwikkeling van het kind en met observaties van de pleegzorgwerker over de omgang pleegouders-kind.
In de onderzoeken naar pleegzorg-situaties is, naast het PSI, ook de SDQ (Strenghts and Difficulties Questionaire) gebruikt, ontwikkeld door Goodman in 1997 en in het Nederlands vertaald door Goedhart, A.W., Treffers, P.D.A. & Widenfelt, B.M. (2003).  Zie: Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 58 (11), p. 1018-1035. Tussen de probleemschalen van de SDQ en de interactie-patronen tussen pleegouders en kind in de ‘Aandachtsveldenlijst voor het Gedrag van het kind’ uit het PSI, zijn significante correlaties gevonden.  (Kizilyazi. S. (2009): Interactie in het licht van gedragsproblemen. Leiden: Universiteit Leiden, Afd. Orthopedagogiek, MA-scriptie. Zie voor de samenhang van de PSI-lijsten: Weterings, A.M., Pruijs, H. & Pool, W. (1993). De implementatie van het PSI. Leiden, Rijksuniversiteit Leiden, Centrum Onderzoek Jeugdhulpverlening.  Bijlage 3, p. 67-81.
Een van de lijsten, de LAGKO, Lijst met Aandachtsvelden voor het Gedrag van het Kind volgens de Ouder/opvoeder, is apart uitgegeven: Weterings, A.M. & Van den Bergh, P.M. (2003). Handleiding LAGKO. Amsterdam: SWP.  De correlaties met de CBCL, Child Behavior Checklist (Achenbach, Th.M. & Edelbrock, C., 1983) zijn hoog.
[6]    In dit rapport zijn alleen gegevens m.b.t. grootouders opgenomen.
[7]    In het PBM-traject zijn vrijwel alle gezinnen door dezelfde ambulant hulpverlener begeleid. Hierdoor was vergelijking van de gezinssituaties goed mogelijk. Wegens ziekte of vakantie werd een andere hulpverlener ingeschakeld, die tevoren werd geïnstrueerd over de gang van zaken. Er zijn geen wezenlijke verschillen geconstateerd tussen de verschillende ambulant hulpverleners.
[8]    Sitskoorn heeft de correlatie tussen het de relatie-ontwikkeling kind-pleegouders en het Relatie-Diagram onderzocht. Het kind plaatst de moeder (significant) minder vaak in het Relatie-diagram naarmate de gehechtheids- en opvoedingsrelatie met de pleegouders beter is. Sitskoorn, A. (2011). De Validiteit van het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium voor het Pleeggezin. Leiden: Universiteit Leiden, Orthopedagogiek, MA-scriptie.

Samengevat

Een PBM-terugplaatsingstraject bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. Interviews met de ouders over hun beleving van de problemen in het gezin en met het kind. Dit is van belang om te begrijpen wat de oorzaak van de uithuisplaatsing is.
  2. Frequente bezoeken van het kind aan de ouder thuis – 1x per week een hele dag. De ouder zal alle dagelijkse zorgtaken moeten kunnen (gaan) uitvoeren. (Bezoeken van, bv., een keer per (halve) maand een middag spelen bij de ouder is te weinig om een andere manier van zorg en omgang mogelijk te maken.)
  3. Begeleiding en observaties gedurende de gehele bezoek-dag.
  4. De ouder moet voldoende tijd krijgen om zich een andere manier van omgang met het kind eigen te maken, maar binnen een half jaar moet wel vooruitgang te zien zijn.
  5. Interviews met de pleegouders over ontwikkeling en gedrag van het pleegkind, hun relatie met het pleegkind en over het verloop van de bezoekregelingen ouder-kind.
  6. Observaties van de pleegouders van het gedrag van het kind vóór en nà het bezoek van het kind aan de ouder.
  7. Observaties van de interactie tussen de pleegouders en het kind.
  8. Een van kind, ouders, en pleegouders, en ook van de betrokken instanties, onafhankelijke beoordelaar van de verkregen gegevens. (Dit is van groot belang om een betrouwbare wetenschappelijk verantwoorde beoordeling van de opvoedingssituatie van het kind te verkrijgen.)

 Er is onderscheid gemaakt tussen ‘terugplaatsing’ bij de ouder(s) als het kind bij deze ouder(s) uit huis is geplaatst en een ‘plaatsing’ bij de ouder als het kind niet bij deze ouder uit huis is geplaatst (bij scheiding van de ouders of niet-samenwonende ouders).
Als een terugplaatsing bij de moeder niet verantwoord was, werd bij de vader (op zijn verzoek) en zijn partner eenzelfde PBM-terugplaatsingstraject ingezet.

3.4. Criteria voor besluitvorming inzake wel of geen terugplaatsing

Het ontwikkelingsbelang van het kind is sinds 2015 (Wet HKB, Herziening Kinderbescherming) het leidend principe.  Onderzoeksmethoden en criteria ten behoeve van een opvoedingsbesluit zullen daarom in de eerste plaats gebaseerd moeten worden op pedagogische kennis over de voorwaarden waaronder een kind zich kan ontwikkelen.

3.4.1. Criteria voor terugplaatsing

De criteria voor terugplaatsing zijn door de projectleider als volgt geformuleerd.

– Stabiele leefsituatie van de ouder (zoals: geen alcohol- of druggebruik, geen jarenlange hulp van vele instanties, zelfstandig een huishouden kunnen voeren).– Het kind laat tijdens de wekelijkse bezoeken aan de ouder in toenemende mate een positieve emotionele gerichtheid zien op de ouder en aanvaardt diens structuur en leiding.

– De ouder sluit tijdens de bezoeken in toenemende mate meer aan op het emotionele gedrag van het kind en weet het gedrag van het kind in goede banen te leiden.

– De interactie tussen kind en ouder verloopt in toenemende mate plezierig en ontspannen. Zowel ouder als kind tonen, in toenemende mate, emotionele betrokkenheid op elkaar en blijheid in elkaars aanwezigheid.  Het kind accepteert de regels van de ouder.

– De interactie tussen ouder en kind behoeft tijdens het PBM-traject niet ‘perfect’ te zijn. Wel moet duidelijk een constante positieve ontwikkeling te zien zijn.

– Gedrag van het kind in het pleeggezin na een bezoek aan de ouder geeft geen problemen (zoals: terugval in functioneren, ‘uit zijn doen zijn’, niet willen eten, slecht slapen, ‘zomaar driftbuien’, afweren maar ook wèl contact zoeken met de pleegouder.)

Observatielijst ouder-kind-interactie (31 items), te scoren op een 5-puntsschaal.
Positief, o.a.: De ouder geeft het kind liefdevolle aandacht, ziet wat het kind nodig heeft,   reageert adequaat op de signalen van het kind; stimuleert hem, stelt duidelijke regels en    houdt zich daaraan.
Negatief, o.a.: De ouder laat het kind maar gaan; hij verbiedt iets, maar houdt zich daar niet aan; weinig tekenen van liefdevolle betrokkenheid; veel bezig met zijn mobiele telefoon of met ‘zijn eigen dingen’. 

Observatielijst kind-ouder-interactie (42 items).
Positief o.a.: Kind maakt contact met de ouder, laat blijheid zien in het contact, accepteert stimulans en gezag van de ouder.
Negatief o.a.: Kind zoekt nauwelijks contact met de ouder; gaat weinig in op pogingen van de ouder om contact te maken; trekt zich weinig aan van de ouder; gaat zijn eigen gang;    wijst de ouder af.

Normering inzake terugplaatsing

In het PBM is de volgende norm aangehouden voor toename van positieve interactie. 
In de 2e helft van het traject zal het gemiddelde percentage van de positieve scores op de interacties vanuit de ouder met het kind én van de interactie tussen het kind en de ouder, tenminste 70% positief moeten zijn.
Een percentage van 60% werd te laag geacht, daar dit dan wel net voldoende is, maar de interacties vinden plaats onder begeleiding van de ambulant hulpverlener, die de hele dag aanwezig is om mogelijke problemen in goede banen te leiden; de ouder heeft slechts een dag per week de zorg voor het kind.

De observaties in de eerste helft van het traject worden niet meegeteld omdat ouder en kind in het begin van het PBM-terugplaatsingstraject moeten wennen aan deze situatie.

3.4.2 Criteria voor ‘Geen terugplaatsing’

Als niet voldaan wordt aan bovengenoemde criteria, kan het kind niet pedagogisch verantwoord teruggeplaatst worden. Als het kind ook na drie maanden nauwelijks positieve verandering laat zien in de manier waarop hij contact maakt met de ouder, kan niet geconcludeerd worden dat het kind bv., ‘nog moet wennen’. Met name terugval in functioneren na een bezoek aan de ouder is een contra-indicatie.

Download Samenvattend Rapport Perspectiefonderzoek Pleegzorg – Hoofdstuk 3