terugplaatsing pleegkind

Het onderzoek naar terugplaatsing van pleegkinderen, 0-11 jaar oud

met de methode: Pedagogisch Beslis-Model, PBM

Samenvatting
11 April 2026

1. Uitgangspunten voor het onderzoek

Een kind heeft emotionele bestaanszekerheid nodig wil hij zich adequaat kunnen ontwikkelen.
Emotionele bestaanszekerheid houdt in dat het kind ervaart dat zijn ouder voor hem zorgt en voor hem beschikbaar is. De ouder moet ook het gedrag van het kind in goede banen leiden, zodanig dat hij niet overgeleverd wordt aan zijn impulsen en dat het kind ervaart dat hij geliefd wordt.

Als een kind in een pleeggezin moet worden geplaatst omdat zijn ouder[1] hem onvoldoende zorg kan geven, ontbreekt deze emotionele bestaanszekerheid. Het kind weet niet hoe zijn pleegouders met hem zullen omgaan en ook niet hoe lang hij bij hen zal blijven. Dit belemmert zijn ontwikkeling. Het is daarom nodig dat het gedepriveerde kind zo snel mogelijk weet wie voor hem zal gaan zorgen. Het PBM, Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen van 0-11 jaar is hiervoor ontwikkeld.[2]

2. Informatie over de opzet van het onderzoek

Het onderzoek is uitgevoerd van 2012 tot 2019, in Brabant bij de Pleegzorgaanbieder, Sterk Huis te Goirle. De pleegkinderen werden aangemeld door de projectleider, een gedragsdeskundige van Sterk Huis. (De onderzoeker had geen invloed op de aanmelding van de pleegkinderen.)
Om zicht te krijgen op de mogelijkheid van terugplaatsing van het pleegkind naar zijn ouder is (door Weterings) de PBM-methode ontwikkeld, het Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen, van 0-11 jaar). Onderzocht werd of middels een intensieve begeleiding van de interactie in ouder-kind inzicht kon worden verkregen over de verbetering inzake de relatie van de ouder met het kind en de relatie van het kind met zijn ouder zodanig dat de ouder weer in staat zou zijn kind liefdevol te verzorgen op te voeden.

Het PBM-terugplaatsingstraject start met twee interviews van de ambulant hulpverlener die ouder en kind een hele dag per week gaat begeleiden, gedurende een half jaar – of zoveel minder als nodig blijkt. De start bestaat uit twee interviews van de ambulant hulpverlener die ouder, noch kind noch pleegouder kent. De ouder kon op deze wijze enigszins vertrouwd raken met degene die haar ging begeleiden en hij kon zijn problemen kenbaar maken.
Tijdens de begeleiding van het kind bij de ouder thuis maakte ambulant hulpverlener verslagen van de manier waarop de ouder zorgt en omgaat met zijn kind en van de manier waarop het kind emotioneel op de ouder reageert en diens gezag aanvaardt. 
Daarnaast vult de ambulant hulpverleenster aan het einde van de dag observatielijsten in inzake de interactie tussen ouder en kind en de interactie kind-ouder (op een 5-puntsschaal, van ‘niet/heel weinig’ tot ‘veel’/vaak)

De scoring en beoordeling van de informatie werd in deze uitgevoerd door de onderzoeker, die tevens het rapport over de Taxatie van de Opvoedings-Situatie schreef met een advies over wel of geen pedagogisch verantwoorde terugplaatsing van het kind naar zijn ouder (TOS-rapport).[3]

Een advies tot terugplaatsing van een pleegkind naar (een van) zijn ouders werd gebaseerd op een duidelijk zichtbare vooruitgang in de manier waarop de ouder liefdevol en adequaat zorgde voor het kind en zijn gedrag in goede banen kon leiden (interactie ouder-kind) en in de manier waarop het kind op de ouder reageerde, in emotionele zin en in het aanvaarden van diens leiding (interactie kind-ouder) .

Als het kind weinig reageerde op datgene wat de moeder[4] tegen het kind zei of hem iets vroeg, de vraag van de moeder negeerde, dan wel daar afwijzend op reageerde, legde de ambulant hulpverlener aan de moeder uit waardoor het kind negatief op haar reageerde. Zij gaf suggesties voor een andere manier van omgang en een andere manier van reageren op het kind. Zij maakte een verslag tijdens het bezoek van het kind aan de moeder en vulde observatie-lijsten in over de omgang moeder-kind en het gedrag van het kind t.o.v. de moeder.

 

Norm voor terugplaatsing

Als norm voor terugplaatsing werd gehanteerd: 70% van de observaties ouder-kind en van de observaties kind-ouder in de 2e helft van het terugplaatsingstraject moeten positief zijn.
De observaties in de 1e helft van het traject werden voor het advies niet meegerekend omdat ouder en kind eerst moesten wennen aan deze vorm van begeleiding.

3. Criterium voor terugplaatsing

De kinderbescherming is gericht op het verbeteren van de opvoedingssituatie van kinderen als de ouder onvoldoende in staat is gebleken de ontwikkeling van zijn kind te stimuleren middels zorg, aandacht en liefde voor het kind. Een maatregel van kinderbescherming schept dan de mogelijkheid het kind uit huis en in een pleeggezin te plaatsen, ook als zijn ouders het hier niet mee eens zijn.
Het criterium voor terugplaatsing is gebaseerd op kindgerichte wetenschappen: de ontwikkelingspsychologie en de pedagogiek: de ouder geeft zijn kind liefdevolle zorg en aandacht en leidt zijn gedrag in goede banen. Het kind accepteert de zorg en structurering van zijn gedrag.

4. Omvang van het PBM-onderzoek

In Het PBM-onderzoek waren 80 pleegkinderen opgenomen.
Na ongeveer drie maanden besloten de moeders van 14 kinderen het PBM-traject niet af te maken. Zij vonden het terugplaatsingstraject te zwaar. Zij waren van mening dat hun kind bij de pleegouders moesten blijven wonen. (Van deze 14 kinderen zijn weinig gegevens bekend.)

De gepresenteerde overzichten van de verkregen gegevens betreffen 66 kinderen.
Bij een aantal moeders werden terugplaatsingstrajecten ingezet voor hun twee kinderen samen.
Bij samenwonende ouders kon geen enkel PBM-traject afgemaakt worden.
Als gebleken was dat het kind niet teruggeplaatst kon worden bij de moeder, heeft de GI, Gecertificeerde Instelling voor kinderbescherming vier vaders, met hun partners, gevraagd of zij voor het kind wilde gaan zorgen. Deze vaders (van 5 kinderen) hadden alle jaren contact gehouden met hun kind.

5. Bevindingen

Geen van de 13 kinderen, uithuis-geplaatst als baby, reageerde positief op de zorg van de moeder, niet na een (half) jaar opname van moeder en kind in een OMK, (Opvang voor Moeder en Kind) en evenmin in het PBM-terugplaatsingstraject. Na een bezoek aan de moeder vertoonden deze kinderen, in toenemende mate, problematisch gedrag in het pleeggezin.

Tijdens de zwangerschap was sprake geweest van huiselijk geweld en/of alcohol- of drugsverslaving. De basis van de hersenen wordt gelegd in de eerste vier maanden. Deze basis ligt vast. Tijdens de ontwikkeling van de hersenen heeft de foetus alleen negatieve signalen van de moeder ontvangen. Na de geboorte reageert de baby dan ook niet op positieve signalen van de moeder omdat hij deze signalen niet herkent. De ontwikkeling van de baby stagneert tot apathie toe. [5]

Een tweede groep kinderen die bijzondere aandacht behoeft zijn de kinderen die met 3 à 5 jaar uit huis zijn geplaatst en in de eerste 1000 dagen in een problematische opvoedingssituatie hebben geleefd. Bij deze groep kinderen waren de problemen het meest omvangrijk. Zij vertoonden op drie van de vier ontwikkelingsgebieden problemen, met name in hun emotionele ontwikkeling (bij 85% van hen) .

In het PBM-terugplaatsingsonderzoek bleek dat de vaak jarenlange problematische relatie van het kind met zijn ouder heeft geleid tot diepgaande problematiek van de kinderen.
De meeste gezinnen hadden jarenlang (3 à 9 jaar) veel hulp gekregen van vele instanties (3-16) voordat het kind uit huis werd geplaatst. Deze hulp was echter vooral gericht op de ouder en minder op de zorg en omgang van de ouder met het kind.
Bij de uithuis-geplaatste baby’s bleek huiselijk geweld het meest voor te komen: bij 69% van hen. Geen van deze baby’s kon teruggeplaatst worden, mede door een problematische zwangerschap door huiselijk geweld en/of drug- en alcoholgebruik.
De aard van de ingezette hulp bleek niet te hebben geleid tot verbetering van de opvoedingssituatie.

In 2015 werd de jeugdzorg, met de financiering, toevertrouwd aan de gemeenten. Dit bracht, met name, een verandering in beleid voor de kinderbescherming teweeg: zo laat mogelijk een kinderbeschermingsmaatregel inzetten en het kind zo lang mogelijk thuis laten. De resultaten laten duidelijk de negatieve effecten van dit beleid zien.

Pedagogische verantwoorde terugplaatsingen

Vóór 2015 waren 43 kinderen opgenomen in het PBM-terugplaatsingsproject.
8 kinderen konden teruggeplaatst worden bij een ouder:

  • 5 kinderen konden teruggeplaatst worden bij hun drie moeders.

  • 3 kinderen konden geplaatst worden bij hun 2 vaders.

Bij 23 pleegkinderen is gezagsbeëindiging van de ouder aangevraagd of verkregen.
Vóór 2015 hebben 31 pleegkinderen (72%) emotionele bestaanszekerheid gekregen.

Na 2015 waren 23 pleegkinderen op genomen in het PBM-terugplaatsingsproject.
5 kinderen konden teruggeplaatst worden bij een ouder:

  • 3 kinderen konden bij hun 2 moeders teruggeplaatst worden.
  • 2 kinderen konden bij hun 2 vaders geplaatst worden.

Bij 5 kinderen is gezagsbeëindiging van de ouder aangevraagd of uitgesproken.
Na 2015 hebben 10 pleegkinderen (43%) emotionele bestaanszekerheid verkregen.

Geen enkel kind kon teruggeplaatst worden bij samenwonende ouders.

Teruggeplaatste kinderen vóór en ná 2015

Terugplaatsing pleegkinderen voor 2015 - Pie Chart

Emotionele bestaanszekerheid voor pleegkinderen vóór en ná 2015

Emotionele bestaanszekerheid pleegkinderen voor 2015 - Pie Chart

6. Gewenst beleid

Hoe jonger het kind, hoe eerder intensieve begeleiding van de moeder voor het kind nodig is en hoe eerder een beslissing genomen moet worden over wel of geen uithuis- en/of terugplaatsing.
In het Burgerlijk Wetboek zijn hiertoe twee artikelen opgenomen: Art. 255 BW en Art. 266 BW. De beslissing over een Ondertoezichtstelling of Gezagsbeëindiging van de ouder moet genomen worden binnen een, “gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn”. Dit geldt met name voor baby’s en kinderen van 1 à 2 jaar oud, in de eerste 1000 dagen van hun leven. [6]

Voetnoten:
[1]    In verband met de leesbaarheid wordt het woord ‘ouder’ gebruikt. Dit kan de moeder, de vader of beiden zijn.
[2]    Het PBM, is ontwikkeld door Dr.A.M.Weterings. (Hierbij is ook gebruik gemaakt 7 of 8 vragenlijsten van het PSI, (Weterings, A.M. & Van den Bergh, P.M., midden jaren negentig tot 2003). Voor de methode van het PBM-terugplaatsingstraject zijn ook observatieformulieren ontwikkeld voor de interactie ouder-kind en de interactie kind-ouder. Scoring en analyses zijn uitgevoerd door Weterings (de onderzoeker).
De beschrijving van het onderzoek is gebaseerd op het boek: ‘Zorg voor het pleegkind is zorg voor de samenleving’. Dr.A.M.Weterings & Mr.F.A. van der Reijt. Amsterdam, SWP, 2026. Dit zal ws. uitkomen in juni 2026.
[3]     De concept-rapportage werd voorgelegd aan een gedragsdeskundige van Sterk Huis, als 2e beoordelaar. (Hij kende kind, pleegkind en pleegouders niet. Men was het in principe eens met de adviezen, maar soms was enige bijstelling in de formuleringen nodig.)
[4]     In het navolgende wordt het woord moeder gebruikt, omdat in alle zaken het PBM-traject werd ingezet bij de moeder, die meestal alleenstaand was. In de zaken waar de ouders samenwoonde konden de trajecten niet afgemaakt worden door de grote onenigheid tussen de ouders of tussen de moeder en haar partner.
Als het PBM-traject bij de moeder niet pedagogisch verantwoord verliep en het kind niet teruggeplaatst kon worden, werd door de GI aan de vader gevraagd of hij met zijn nieuwe partner voor het kind wilde gaan zorgen. Deze vaders hadden alle jaren contact gehouden met hun kind. Bij 4 vaders met 5 vijf kinderen werd een PBM-traject ingezet. Alle vijf kinderen konden bij de vader en zijn partner gaan wonen.
[5]    Hunnius, S. & Van Elk, M. (2021). Het babybrein. Amsterdam: Prometheus.
         Roseboom, T. (2018/2020): ‘De eerste 1000 dagen’. Utrecht: De Tijdstroom.
[6]    Roseboom, T. (2018/2020). ‘De eerste 1000 dagen’. Utrecht : De Tijdstroom.